My photo
investigated sustainable lifestyles in Japan


fukushima 2: power to the people?

Fukushima prefecture, close to the no-go area

* De Nederlandse tekst vind je verderop *

A nuclear power free Japan was short-lived. Prime minister Noda now approved the start up of two OI plant reactors located close to Kyoto. It will take a few weeks before they are fully up and running but the government felt that reactors should be started up to prevent a potential power crunch this summer. And so he added, “we need it to ensure a sustainable growth”.
I find the use of the word ‘sustainable’ in this context remarkable given that the term has long been used to argue against nuclear energy. As such, it is a solid part of the vocabulary of the anti-nuclear movement. Its use here is ironic and indicative of the ‘defeat the enemy with their own weapons’ communication strategy – a strategy that, in my opinion, has also been extensively used by Dutch politicians. In fact, the former vice prime minister Verhagen, who, by the way, seems to have dropped off the planet since the cabinet fell last April, often spoke of how ‘clean’ nuclear energy is in his pleas for more nuclear plants in the Netherlands and made frequent references to the fact that, with nuclear energy, there are no CO2 emissions.

I wonder though how sustainable Japanese growth could be? Thus far, the costs of nuclear energy have been astronomical, as evidenced by the bill of 19.25 billion yen (190 million) that the mayor of Futabato, a small town in the nuclear disaster stricken area, recently handed TEPCO. But 19.25 billion yen is nothing. It doesn’t come close to compensating the 2 million people affected. It doesn’t pay for the losses experienced by 70,000 to 100,000 (the numbers are unclear) nuclear refugees who were forced to leave behind their houses, their land, their cattle, their orchards. It doesn’t make up for the fact that there is a contaminated 30 kilometre no-go area that is now completely useless. And what of the immaterial loss: the destruction of social infrastructure that is so vital to local economies, the dissipation of social ties, and the psychological trauma that affects people’s wellbeing probably for a very long time? Such loss is beyond calculation. Thus far, few of the costs have been covered and the losses have been primarily borne by the affected and by the government. How is that sustainable?

With the re-opening of these two nuclear plants, the debate on energy has flared up again. Strikingly, most Japanese people are against nuclear energy. In fact, about three quarters of the Japanese population claim to want a nuclear-free Japan and people have shown great self-discipline in reducing their energy consumption. Energy saving has become a kind of national sport. Even electricity bills include hints for energy reduction. Additionally, investments in renewable energy installations are rapidly increasing. For example, sales of solar cells rose 30.7% in 2011. Initiatives to influence political decision-making, however, have had little success thus far. Last week, the Tokyo council rejected a petition signed by 320,000 residents that lobbied for a referendum on nuclear energy in Tokyo and the urgent energy-related requests made by two governors of regions close to the Oi plant have not honoured. They asked Noda to put the plant into operation for only a limited period of time as not all safety procedures have been tested, but Noda and his allies claim that energy supply is a national issue and should thus be decided upon at national level. The governors, the mayors, and the residents oppose that they should call the shots since they have to carry the heavy costs of a nuclear catastrophe.

So, ultimately, this is not about energy; it is about power and control, and I think it would be better if the debate were to be framed in this context. As one may rightfully ask whether a part of modern society as necessary and vital as energy is should be owned, and thus controlled, by private, market-driven corporations? The Fukushima catastrophe has painfully demonstrated that as long as control over energy remains in the hands of a mere few, we risk not only damage to the environment but to democracy as well.

Nihonmatsu refugee camp    

Fukushima 2

Een kernenergie-vrij Japan was maar een kort leven beschoren. Half juni heeft premier Noda toestemming gegeven om twee reactoren van de Oi centrale, vlak bij de provincie Kyoto, op te starten. Het argument is dat men een energie tekort in de zomer wil voorkomen. Verder zei de premier: “We hebben kernenergie nodig voor een duurzame groei van de economie”.
Het is merkwaardig dat het woord ‘duurzaam’ juist in dit verband gebruikt wordt. De term is nou net een van de belangrijkste argumenten tegen kernenergie en hoort thuis in het vocabulaire van de anti-kernenergie beweging. Deze communicatie truc – ‘versla je vijand met eigen wapens’ – kennen Nederlandse politici ook. Voormalig vice premier Verhagen (ooit nog iets van hem gehoord sinds de val van het kabinet?) blijft maar hameren op het feit dat kernenergie schone energie is. Wat hij feitelijk bedoelt is dat er geen CO2 uitstoot is.

Maar hoe duurzaam kan de groei van de Japanse economie zijn zolang er nog rekeningen open staan? Zoals de rekening van 19 miljard yen (190 miljoen euro) die de burgemeester van Futabato, een klein stadje in het getroffen gebied, onlangs overhandigde aan TEPCO voor de schade door de Fukushima kerncentrale. Maar de totale kosten van de schade zijn astronomische bedragen. Het gaat dan niet alleen om schoonmaak-kosten, maar ook over de schade die 2 miljoen mensen hebben geleden, over compensatie voor de zeventig tot honderd duizend vluchtelingen die hun huizen, land, vee, boomgaarden enzovoorts achter hebben moeten laten; en over compensatie voor het vervuilde gebied van zo'n 30 kilometer dat totaal onbruikbaar is. En dan zijn er ook nog de immateriële verliezen die natuurlijk helemaal niet te becijferen zijn: de vernietiging van de sociale infrastructuur, die zo belangrijk is voor de lokale economie, het verdwijnen van sociale banden en de zware psychische trauma’s. Tot nu toe zijn er nauwelijks rekeningen betaald. De verliezen worden gedragen door de getroffenen en de overheid.

Nu de eerste kerncentrale weer actief wordt, laait de discussie over kernenergie weer op. De meerderheid van de Japanners is tegen. Driekwart wil een kernenergievrij Japan en de mensen hebben het afgelopen jaar heel gedisciplineerd hun elektriciteitsgebruik terug gebracht met zo’n 15 procent. Energie besparen lijkt hier wel een nationale sport. Zelfs op de elektriciteitsrekening staan tips hoe je kunt besparen. Tegelijkertijd nemen de investeringen in alternatieve energie snel toe. De verkoop van zonnecellen bijvoorbeeld is in 2011 met 30 percent gestegen. Initiatieven om de politiek te beïnvloeden vinden echter geen gehoor. Kort geleden heeft het bestuur van Tokyo tegen een referendum over kernenergie gestemd, na een petitie ondertekend door 320.000 inwoners. Zelfs dringende verzoeken van de gouverneurs van de twee provincies die grenzen aan de Oi centrale zijn niet gehonoreerd. Zij hadden premier Noda gevraagd de centrale alleen tijdelijk open te stellen, omdat nog steeds niet alle veiligheidsprocedures goed afgerond zijn. Noda en andere politici claimen nu dat energie een nationale aangelegenheid is. De beslissingsbevoegdheid moet daarom ook op nationaal niveau liggen. De gouverneurs, burgemeesters en inwoners daarentegen vinden dat zij de zwaarste stem moeten hebben, omdat zij de rekening betalen als het fout gaat. 
Dus uiteindelijk gaat het niet om energie, maar om macht en controle. Het zou ook beter zijn als de discussie in dit kader geplaatst wordt. Want je kunt je terecht afvragen of zoiets belangrijks - en gevaarlijks - als kernenergie wel in handen moet blijven van private, markt gestuurde bedrijven. De catastrofe van Fukushima maakt pijnlijk duidelijk dat zolang een kleine groep de energievoorziening in handen heeft, we niet alleen schade voor het milieu riskeren, maar ook voor de democratie.


public space and private property

* de Nederlandse tekst vind je verderop * 

The first time I came to Japan, I was amazed by how neighbourhoods look. I walked around, enjoying the atmosphere, and wondered why these neighbourhoods look so different than neighbourhoods in other world cities. The streets here seem to exude a certain quietness, harmony, and spaciousness despite the fact that many streets are just as narrow as streets in some parts of Amsterdam or Athens or Aachen. What makes these streets so different? Perhaps it is the unique design of traditional Japanese homes but I doubt it as I’ve had this same sense in more modern neighbourhoods as well. Perhaps it’s then the tiny gardens in front of those homes or the abundant use of wood? As I wandered the streets, I observed my surroundings and contemplated the answer.

And do you know what I found? What makes these neighbourhoods feel so different? It is the absence of cars. Japanese streets are not propped full with parked cars, and what a difference that makes when these hideous yet colossal shining objects that ruin quality of life in most cities in the world are absent. Cars are not only the greatest producers of air pollution, they also occupy a ridiculous amount of public space. Contemplate this: In the Netherlands, a child has approximately four square meters of outdoor play area. A parked car, by contrast, utilizes ten square meters and those ten square meters are almost always on public ground. Apparently, most people today think that using common ground for the storage of their private property - when it is a car – is a human right. What would be the reaction if people without cars started parking large metal containers of ten square meters on public ground to store their piano or their bikes? Obviously, only  holy cows are allowed to graze in common pastures.

So that’s the difference. In Japan, people do not use public space to park their car. Cars are private property, and therefore belong to the private domain. Safety reasons played of course a major role in Japan’s ‘no public parking’ regulations as fire brigades and other emergency vehicles need to be able to get through the small and winding streets. But it is also a matter of principle: the private and the public are strictly separated worlds. This rule has motivated Japanese people to become very creative when it comes to parking their car. I saw the most ingenious solutions, as you can see in the pictures. Those who can afford it rent a parking spot in special garages who, given the shortage of space, have come up with smart solutions such as the car-carousel, which is a lift like installation that can house six to eight cars. Social anthropologist Inge Daniels claimed, in her book entitled, The Japanese House, material culture in the modern home, that the ‘no public parking’ rule often forces the Japanese to choose between having a garden or having the parking spot, and although most Japanese love nature and having a garden means a lot to them, ultimately, they often choose to park their car on that tiny little patch of private outdoor space that surrounds their house. The garden is then allocated to not-quite-public-space, along the sidewalks. And so the narrow streets look even better. 

Openbare ruimte  en privé bezit

Toen ik de eerste keer in Japan was, verwonderde ik me over het straatbeeld. Ik wandelde rond, genoot van de sfeer en vroeg me af waarom deze buurten zo verschillen van wijken in andere steden in de wereld. De straten hebben een bepaalde rust en harmonie en geven een gevoel van ruimte, terwijl ze toch vaak even smal zijn als straten in bepaalde wijken van bijvoorbeeld Amsterdam, Athene of Aken. Wat maakt het hier zo anders? Misschien het speciale ontwerp van de traditionele Japanse huizen? Waarschijnlijk niet, want dezelfde gewaarwording van rust, heb ik ook in moderne buurten. Misschien de kleine tuintjes bij de voorgevels? Of het vele hout dat je ziet? Al lopend door de straten, observeerde ik de omgeving op zoek naar een antwoord op mijn vraag. 

En weet je wat ik ontdekte? Weet je waarom je de buurten in Japan zo anders ervaart? Er staan hier geen auto's langs de weg. De straten zijn niet vol gepropt met geparkeerde auto's. En wat een verschil is dat, als die lelijke, glimmende kolossen, die ook nog eens de kwaliteit van leven in de meeste steden ruineren, afwezig zijn! Auto's zijn niet alleen de grootste luchtvervuilers, ze nemen ook nog eens een belachelijke hoeveelheid openbare ruimte in beslag. Voorbeeldje? In Nederland is er per kind gemiddeld vier vierkante meter speelruimte. Een geparkeerde auto neemt tien vierkante meter in beslag, meestal gewoon op de openbare weg. Voor autobezitters lijkt het inmiddels een mensenrecht aanspraak te maken op publiek bezit voor prive doeleinden. Want denk maar niet dat iemand die geen auto heeft een container van tien vierkante meter voor zijn woning mag plaatsen voor zijn piano of fietsen. Nee, alleen de heilige koeien mogen in gemeenschappelijke weides grazen. 

Dat is dus het grote verschil. In Japan gebruiken mensen geen openbare ruimte om hun auto's te parkeren. Hier is het zo geregeld dat iedereen op eigen grond parkeert. Natuurlijk spelen redenen van veiligheid een belangrijke rol bij deze maatregel, want brandweer en ambulances moeten natuurlijk makkelijk door de smalle straatjes kunnen. Maar het is ook een principiële kwestie: privé en openbaar zijn gescheiden werelden. Deze maatregel heeft Japanners creatief gemaakt in het organiseren van parkeerplaatsen. Zoals je op de foto's kunt zien, zijn er de meest ingenieuze oplossingen. En wie het zich kan veroorloven huurt een parkeerplek in speciale garages, die ook weer heel vernuftig woekeren met de beperkte ruimte; zoals de auto-carrousel, een installatie die plaats heeft voor zes tot acht auto's. Volgens antropoloog Inge Daniels, in The Japanese House, material culture in the modern home, dwingt het parkeerbeleid de Japanners te kiezen tussen een tuintje of een parkeerplek op de kleine stukjes grond bij hun huis. En hoewel de meeste Japanners dol zijn op natuur en een tuin veel voor hen betekent, wint de auto het meestal van de tuin. Die verhuist dan naar het piepkleine strookje langs het trottoir - maar wel nog net op privé terrein natuurlijk. En zo worden de straatjes nog mooier.


fast as the echo

* De Nederlandse tekst vind je verderop *

A blog about sustainable living in Japan cannot not discuss Japan’s railways. And yes, indeed, all the fabulous stories about the trains are true. Japanese trains are always perfectly on time (the average delay last year was 6 seconds), they come so frequently that you never feel like you’ve missed a train, and they are completely spic-and-span. For someone who is entirely dependent on public transportation - yes, I belong to the endangered species of people without a driver’s license – taking a Japanese train is not only a very pleasant experience in and of itself; it also gives me a real confidence boost. In Japanese trains, I don’t feel like I belong to the lower ranks of society, to a caste that doesn’t deserve to be transported from point A to point B in anything more than glorified garbage bin where chairs have to be wiped down before you sit down and where fellow passengers seem to, en masse, be both deaf, particularly when they use their mobile phone (which they frequently do) and blind, as nobody seems to notice the giant letters on the windows of certain compartments that say, ‘silence’. So, yes, it is possible to have public transportation that exceeds a car in terms if quality, speed, and luxurious dignity.

So, what’s the secret of this success? During my trip from Kyoto to Tokyo, that covered 560 km in just two hours and twenty minutes, I had time reflect, google, and make observations, and this is what I found. The public transportation system including the ‘processing of the users’ is incredibly well-organised. Every single detail of the technical aspects, the machines, the personnel, the infrastructure - all of it - is scheduled, programmed, backed-up, and tested, down to the most minute detail. Also, there is a ton of staff around to give advice and to assist and direct people, and they seem to do it willingly, as if they are pleased to provide this service. I never imagined I’d see a train conductor bowing politely when he enters or leaves the compartment. It’s incredible. The system is also so well-organised that even before a question could arise (e.g. Which direction do I go? Where is the ticket machine? Where can I find coffee?), the answer is already there – on signs, information posts, schedules, or from staff members whose only task is to help passengers. In short, I think one of the keys to this success is the fact that the Japanese are excellent in logistics. Another key is the Japanese’s self-discipline and calm demeanour as this add significantly to the quality of its public transportation. There is no stress or hustle at the entrance doors.

Nobody tries to push their way through. Everybody calmly queues in the places marked for queuing on the platform. Perhaps, this may appear too oppressive for the Dutch with their strong individualistic mentality but this orderly behaviour, the fact that all conversations are held in softly spoken voices and there are no phones (none at all!) is so nice. It cuts stress, reduces aggression, and saves time as well. And, last but surely not least, the Japanese government strongly supports the use of public transport as part of their policy for CO2 reduction. In fact, in a recent governmental report, worries were expressed about the - albeit slight - decrease in public transportation use. The government has thus decided to increase their efforts to stimulate a shift from driving to using public transportation. Meanwhile, they also invest in the development and promotion of low-emission vehicles. Whether these cars will have names as poetic as the three Shinkansen bullet trains remains to be seen. When it comes to speed, however, these cars will never be able to compete with the Shinkansen Kodama (fast as the echo), the Shinkansen Nozomi (fast as hope), or the Shinkansen Hikari (fast as the light). And what about the costs? A Shinkansen ride isn’t cheap. It comes down to about 50 cents per kilometre. I wonder what a new generation car (including the decent salary of the driver of course) will cost per kilometre?

Snel als de echo

In een blog over duurzaam leven in Japan horen natuurlijk de Japanse spoorwegen. En inderdaad, alle mooie verhalen kloppen. Japanse treinen rijden perfect op tijd (afgelopen jaar was de gemiddelde vertraging welgeteld 6 seconden), ze rijden zó vaak dat je nooit het gevoel hebt een trein gemist te hebben, en ze zijn spic en span schoon. Voor iemand zoals ik die helemaal afhankelijk is van het openbaar vervoer – jawel, ik hoor tot de verdwijnende soort van de rijbewijslozen – is een Japanse treinreis niet alleen heel plezierig, het blijkt ook een boost voor mijn zelfrespect. Je krijgt hier namelijk niet het idee dat je van een lagere klasse bent, die niet beter verdient dan van A naar B vervoerd te worden in een soort veredelde vuilnisbak, waar je altijd eerst je stoel afvegen voordat je gaat zitten, waar medepassagiers massaal lijden aan doofheid, vooral als ze hun mobiel gebruiken (wat ze bijna permanent doen), en bovendien last hebben van blindheid, want niemand lijkt het woord 'stilte' te kunnen lezen dat in koeieletters op de ramen staat in bepaalde coupe's. 

Dus, het kan! Er bestaat openbaar vervoer dat de auto overtreft in kwaliteit, snelheid en luxe. Wat is het geheim van dit succes? Tijdens mijn reis van Kyoto naar Tokyo (560 kilometer in twee uur en twintig minuten), had ik tijd om hierover na te denken, te googlelen en te observeren. Ik ontdekte het volgende. Het systeem van het openbaar vervoer is hier ongelooflijk goed georganiseerd. De techniek, de machines, het personeel, de infrastructuur, de gebruikers, alles, werkelijk alles, is tot in de kleinste details, getest, nog eens getest, geprogrammeerd, in schema's en draaiboeken gezet, waar dan weer back-ups van gemaakt zijn. Verder is er heel veel personeel om te adviseren, te assisteren, je de goede kant op te sturen, en ze lijken het ook nog eens leuk te vinden je van dienst te zijn. De trein conducteur maakt een beleefde buiging telkens als hij de coupe in of uitgaat. Ongelooflijk. Het is allemaal zo goed georganiseerd dat eigenlijk nog voordat een vraag bij je opkomt (Welke kant moet ik op? Waar is de kaartjesautomaat? Zou er ergens koffie zijn misschien?) het antwoord er al is - op borden, richtingwijzers, of bij personeel dat als enige taak heeft passagiers te helpen. Kortom, het feit dat Japanners excelleren in logistiek is volgens mij een van de redenen voor het succes. Ook de mentaliteit van de Japanners, hun zelf-discipline en kalmte komt de kwaliteit van het openbaar vervoer ten goede. Er is geen stress of gedrang bij het instappen. Iedereen staat rustig te wachten, netjes in de rij, in de vakken op het perron waar dat aangegeven staat. Voor Nederlanders die nogal individualistisch ingesteld zijn, lijkt zoiets waarschijnlijk erg benauwend, maar het ordelijke gedrag, het feit dat er zacht gepraat wordt en dat er geen telefoongesprekken zijn (echt niet!) is gewoon heel prettig. Het vermindert stress en agressie. En het scheelt in tijd.

En, last but not least, voor de Japanse overheid is het openbaar vervoer gewoon een serieus onderdeel van het beleid voor CO2 reductie. In een onlangs verschenen rapport wordt de zorg uitgesproken over de lichte daling van het gebruik van het openbaar vervoer. Er komen nu maatregelen om mensen te stimuleren de auto te laten staan en vaker het openbaar vervoer nemen. Maar tegelijkertijd wordt er toch ook weer meer geïnvesteerd in high tech auto's met lage CO2 uitstoot. Of de naam van dit nieuwe type even poetisch zal zijn als die van de drie Shinkansen hogesnelheidstreinen valt te bezien. Wat betreft snelheid zal de nieuwe auto het echter nooit winnen van de Shinkansen Kodama (snel als de echo), de Shinkansen Nozomi (snel als de hoop) en de Shinkansen Hikari (snel als het licht). En qua kosten? Met een kilometerprijs van ongeveer 50 cent is een reis per Shinkansen bepaald niet goedkoop. Ik vraag me af wat de kilometerprijs van de nieuwe generatie auto zal zijn, maar dan wel inclusief een fatsoenlijk loon voor de chauffeur.


fukushima 1

* De Nederlandse tekst vind je verderop *

This is Shizuko (75) showing off pictures of the silk worms she used to breed. In Fukushima, she owned a nursery with ten thousand mulberry trees. Today, Shizuko lives in a refugee camp in Nihonmatsu, a town close to the Namiye village, the place from which she and all other residents were evacuated shortly after the Tsunami and the nuclear disaster. I visited the refugee camp together with two of my Japanese colleagues to interview refugees about how the disaster has impacted their life. 
About three hundred people live in this camp, which is financed by TEPCO, the company that owns the nuclear plant held responsible by the Japanese government for all the damage done. In the camp, refugees receive a monthly allowance of ¥ 150.000 (around 1500) and, through the Red Cross, they are provided with appliances and household utilities. Also, a number of volunteers offer help. Despite this, everyone we spoke to reported feeling depressed and frustrated. A year after being forced to abandon their homes and businesses in the shadow of the Fukushima nuclear plant, they are still living in limbo, unable to return, waiting. Many have already left the region and settled in other parts of Japan or immigrated to other countries to start a new life abroad. Those that remain are mostly farmers or elderly people with too little energy to build something new. 
Every two months, the refugees are allowed to return to their homes and their land for a few hours. They wear special protective clothes and when they enter the area, their cattle react to the sound of the car engine and approach, asking in their own way to be cared for. Ostriches, that were previously kept in the nursery, have become wild and roam around freely, as do the pigs who cause extensive damage to the refugees’ homes. In search of food, they gnaw on doors for as long as it takes to get through and, once inside, they ruin interiors and make a huge mess. Every time refugees go back to their village, they see that their homes and their land are more degraded than the time before. Nonetheless, most of them cherish the idea of going back and are against the Japanese government’s proposed plan to build a new town in a safe area. And while they wait, they tend to their new, albeit much smaller, gardens. Shizuko, the owner of ten thousand mulberry trees now has four. 

Fukushima 1

Dit is Shizuko (75). Ze laat fotos zien van de zijderupsen die ze kweekte in Fukushima, waar ze een kwekerij had met tien duizend moerbei bomen. Nu woont ze in een vluchtelingen kamp in Nihonmatsu, een stad dicht bij haar vroegere woonplaats Namiye. Kort na de tsunami en de nucleaire ramp is iedereen uit dit gebied geëvacueerd. Met twee Japanse collega's bezoek ik het kamp om mensen te interviewen over de impact die de ramp op hun leven heeft gehad.

In dit kamp wonen ongeveer drie honderd mensen. Het wordt gefinancierd door TEPCO, eigenaar van de kerncentrale, die door de Japanse overheid aansprakelijk is gesteld voor alle schade. Men krijgt een maandelijkse uitkering van ¥ 150.000 (ongeveer € 1500),  het Rode Kruis heeft huishoudelijke apparaten en andere spullen geleverd en ook vrijwilligers bieden hulp. Toch is iedereen die we spraken gefrustreerd en depressief. Een jaar nadat men huizen en bedrijven heeft moeten achtergelaten, verkeren de vluchtelingen nog steeds in het ongewisse. Ze kunnen niet terug en wachten maar af. Veel mensen zijn overigens al weg getrokken. Ze hebben zich elders in Japan gevestigd of zijn geëmigreerd om een nieuw leven in het buitenland op te bouwen. De achterblijvers zijn boeren of ouderen met te weinig energie om nog iets nieuws te beginnen. 

Eens in de twee maanden mogen de vluchtelingen even terug, ingepakt in speciale beschermende kleding. Als ze het gebied binnen rijden, reageert het los lopende vee op het geluid van de auto. Van alle kanten komen dieren naar hun toe lopen. Ze willen verzorgd worden. Struisvogels, die eerst in een fokkerij zaten, leven nu in het wild en struinen overal rond, net als de varkens, die veel schade aan de huizen toebrengen. Op zoek naar eten, knauwen ze net zolang aan de deuren tot er een opening is. Eenmaal binnen ruïneren ze het interieur en maken een verschrikkelijke troep.Telkens als de vluchtelingen terug gaan naar hun dorp, zien ze hoe hun huizen en land verder aftakelen. Toch koesteren de meesten het idee om terug te gaan en zijn ze tegen het plan van de overheid om een nieuwe stad te bouwen in een veilig gebied. Terwijl ze afwachten, zorgen ze voor hun nieuwe, veel kleinere tuinen. Shizuko, ooit eigenaar van tien duizend moerbei bomen, heeft er nu vier.